Vragen en opdrachten bij 14 t/m 18 1. Geef het lijdend voorwerp aan in de volgende zinnen; geef aan welke LV's zel f zin zijn. 1. We hebben nog niet bestudeerd, welke plannen hij voor ons heeft. 2. "Hoe laat verwacht je ons", vroeg hij haar. 3. Zij juichten het toe, dat hij per se wilde slagen. 4. In de volgende dagen voltrok zieh wat zij al zo lang vreesde. 5. In dat artikel wordt uiteengezet, hoe die zaak wordt uitgevochten. 6. Het is wel te verwachten dat die onderneming succes heeft. 2. Benoem in de volgende zinnen de voornaamwoorden. 1. Ik betreur het dat jullie elkaar niets te verteilen hebben. 2. Dat is de man; die heeft het gezegd. 3. Dat is de man die het gezegd heeft. 4. Wat voor cijfer ken jij toe voor vragen die je zonder nadenken kunt beant-woorden? 5. Ik vraag me af wie dat onzalige plan bedacht heeft. 6. Wie dat onzalige plan bedacht heeft, moet het maar zelf uitvoeren. 3. Geef in de volgende zinnen het meewerkend voorwerp aan, indien aanwezig. 1. Dat was me toch een eilende! Mijn vader heeft me in geen dagen opge-beld. 2. Wou je me verteilen dat je nu pas klaar was? 3. De vertrekkende concierge werd een envelop met inhoud overhandigd. 4. Zij wijdde zieh geheel aan haar echtgenoot. 5. Die broek is me veel te wijd geworden. 4. Benoem in de volgende zinnen: onderw., werkw. of naamw. gez., lijd. vw., en meew.vw, voorzover aanwezig; ook in de bijzin(nen). 1. Doe nu maar wat ik je gezegd heb en bedenk aan wie je dat boek uitge- leend hebt. 2. De leraar van wie hij straf kreeg, heeft hem aangeraden beter op te letten. 3. Zij kreeg alles van hem waar ze om vroeg. 4. Je raadt nooit hoeveel eilende hij zijn ouders bezorgd heeft. 5. Ik zie nog niet wie ik hier mijn gunsten zal schenken. 6. Voor wie het hele uur zit te suffen ga ik niet opnieuw beginnen. 7. Hij betreurde het, dat zijn vriendin nooit lamsvlees at. 5. Wat zijn de voorzetsels, bijwoorden en voornaamwoordelijke bijwoorden in de volgende zinnen? 1. Toen ze hem het glas voor hield, keek hij er met verlangen naar. 2. Hij verzocht hem dadelijk mee te gaan naar de garage om er de auto te laten repareren. 3. Ondanks de regen was ze overal toe bereid. 4. Dat lijkt nergens op. 5. Ik ruil dat boek liever niet tegen een kopie. 6. Het maakt niet uit of daaraan behoefte is of niet. 41